Categories:

Ik was jong. Een jaar of 5, misschien 6? En woonde in zo’n geweldige jaren ’70 bloemkoolwijk met veel groen en speeltuintjes. Autoluw. We speelden op straat. En op de trapveldjes. En bij de sloot. Er was weinig verkeer, dus speelden we zonder erg veel toezicht. Dat ging altijd goed. Aangereden worden was het ergste dat je kon overkomen, toch?

“Ik heb jonge poesjes thuis. Wil je eens met ze spelen? Loop maar mee, ik woon in de wijk hiernaast”

Eind jaren ’80 waren jonge poesjes de unicorns van nu. Jonge meisjes kregen glitters en hartjes in hun ogen bij de gedachte aan een heel nest met van die kleine schattige poezesnoesjes. Ik dus ook. En dus liep ik mee.

De wijk uit. De grote weg over – gelukkig was er iemand bij zodat ik veilig kon oversteken – de naastgelegen bloemkoolwijk in. Met veel groen, autoluw en veel trapveldjes en speeltuintjes.

Die poesjes heb ik nooit gezien. Sterker nog, ik ben nooit in het huis binnen geweest van de desbetreffende jongeman. Wat een pech dat zijn moeder mij wegstuurde voor ik naar binnen kon gaan om de poesjes te knuffelen.

En toen liep ik alleen over straat. In een wijk die erg leek op de wijk waarin ik woonde, waar ik wél de weg kende. Uren zocht ik naar een aanknopingspunt om thuis te kunnen komen. Maar elke hoek van de straat leek op de vorige hoek van de straat. Rotbloemkolenwijk met veel groen.

Na uren zoeken begon ik te huilen. Ik was verdwaald én ik had geen poesjes kunnen knuffelen. Een mevrouw pikte me op en wist te achterhalen waar ik woonde. Thuis was ik nog niet gemist. Maar kreeg wel te horen dat ik toch echt niet met vreemden mocht meegaan. Poesjes knuffelen bij iemand die je niet kent, dat hóórde niet. Huilen.

Tags:

No responses yet

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Per mail op de hoogte
Social Media Auto Publish Powered By : XYZScripts.com